Archief voor juni, 2007
Tussen de soep
Beste vrienden,
vannacht geef ik mijn mooiste cadeau aan de poëzie,
misschien geen mooi cadeau, maar wel het eerste gedicht in mijn leven.
Jullie zijn de getuigen.Ik heb het geschreven omdat het waar is, anders hield ik er niet van. Veel plezier.
Tussen de soep
-
Soms, met een hoofd vol demonen,
Verlangt men naar hoop, zomaar,
Tussen de buien door.
Na de soep kom ik stromen,
Pijpenstelen regen tegen, maar daar,
Is het afdak voor.
-
De zon die Debozere durfde beloven,
Laat op zich wachten, kom maar,
Fluister ik in haar oor.
Ze luistert en schijnt ergens daarboven,
Iets te kennen van haar,
noch pluim.
-
Lichtjes begint het stralen, overal,
Ik hoop op een teken en staar,
Me blind tussen regels door.
Geen boog of regen, niemendal,
Enkel de boze hopeloze redenaar,
Op zoek naar metafoor.
-
Wind wil de bomen drogen,
In de zon huilen ze mee, luister naar,
Dit empathisch beukenkoor.
Nee! Nog éénmaal glijd ik met mijn ogen,
langs die gevoelige snaar,
En geef het bos geen gehoor.
-
En dan, alle hoop leek ongegrond,
Tekent de zon het kleurrijk Godsgebaar,
Tussen druppelende bladeren door.
De herinnering aan het verbond,
eeuwig onbereikbaar,
verdwijnt zonder spoor.
-
Maar ik heb ze gezien, de regenboog,
En ik geloof in haar,
door en door.
-
Na de soep, de leugenaar die loog,
staat de tafel klaar, de patatten gaar,
Een weeïge lucht, waar ik me niet aan stoor.
Een faculteit in de puberteit

‘Onze school is niet alleen voor saaie mensen, maar de studenten hebben ook humor, en dat gaan ze nu laten zien.’ aldus werd een veelbelovende cabaretshow aangekondigd tijdens het afgelopen ETF jeugdweekend. ‘Een hoog staaltje van geïntegreerde P.R.’, zo moet de componist van deze zin gedacht hebben. ‘We slaan twee vliegen in één klap: de aankondiging van het programma, en reclame voor de faculteit.’ Arme jongen. Had hij kunnen weten dat de show een flop zou worden? Kon hij erger voorkomen? Ja! In ieder geval had hij kunnen vermoeden dat de show een flop ging worden, het jaar ervoor was het dat ook. Bovendien zondigde hij tegen twee belangrijke regels:
1. Kondig nooit aan dat iets grappig zal zijn, en verkondig zeker niet van jezelf dat je gevoel voor humor hebt. Het creëert bij de toeschouwers een houding van ‘oh, dat willen we nog wel eens zien’. Een slechter begin kan je niet hebben.
2. Verontschuldig je nooit voor iets dat je niet bent, of een beetje bent maar niet wil zijn (saai bijvoorbeeld). Zelfs wanneer je bang bent dat de ander denkt dat je iets bent, hou gewoon je mond. Je voedt enkel de verwachting.
Vooral pubers hebben deze laatste regel niet onder de knie. Ze weten wat ze niet willen zijn, en wat ze wel willen worden. Daartussen zit een vacuüm van woorden ter verontschuldiging en rechtvaardiging van de daden. In een ETF-promofilmpje voor Vlaamse jongeren las ik onlangs: ‘De ETF, niet alleen voor buitenlandse studenten, maar ook voor Vlamingen!’ Ik word al niet meer boos van zulke frikadellen. Mijn Faculteit zit in de puberteit, en dat is even op de tanden bijten.
In de ontwikkeling naar volwassenheid probeert elke puber een identiteit te ontwikkelen. Iets waar vereenzelviging plaats vindt. Iets waar de ander vol lof over mag zijn, maar vooral af moet blijven. De ETF heeft een koers gekozen, en is onderweg. Rick Warren maakte het vormingsjaar voor elke Vlaming op zoek naar een doel in het leven overbodig. ‘ETF’ is ook niet meer de bijbelschool in Heverlee waar elke aanstaande Nederlandse dominee zijn aanstaande vindt. ‘ETF’ is meer universiteit dan ooit. In deze puberteit vindt de faculteit haar identiteit in ‘academiciteit’. Alles wordt beweerd academisch te zijn… het is een handelsmerk. Grappig niet? Welke universiteit zou de hele tijd van zichzelf beweren dat ze academisch is, behalve degene die het niet is. Veel universiteiten zien in hun academiciteit juist het gevaar, en daardoor ook de uitdaging, om niet als dusdanig over te komen. De ETF doet haar best, en zolang de a van academisch nog door de gangen galmt, blijf ik lachen. Pas wanneer ik lees: ‘De ETF: niet alleen academisch, maar ook bijbels!’, zal ik wantrouwen.
Wilde harten in Antwerpen
Is ‘t God die mij verlaten heeft
en Satan mij tot dienstknecht geeft?
Zoodat ik weeg en zit te tellen
terwijl mijn dagen henensnellen?
Is ‘t d’ouderdom die heeft gesust,
mijn ziel gedroogd, mijn vuur gebluscht?
Die met zijn harde, koude knoken
mijn teerste snaren heeft gebroken?
O jeugd! O tijd van smarten!
Van vreugd en wilde harten!
Gods naam in de grondwet, en mijn naam uit de spamlijst.
Waar het ooit begon, weet niemand… maar nooit heeft iemand meer misbruik gemaakt van mijn mailadres dan de Vlaamse gristenclub. Met een post getiteld: ‘Artiest van de week: Michael W. Smith’ moet ik hooguit glimlachen, maar vijf mails om te zeggen dat ik moet stemmen op Kris Vleugels en zes keer een link naar een petitie ten voordele van Gods naam in de grondwet gaat te ver. Stop ermee! Ik heb ten eerste geen stemrecht, en ten tweede maakt het mij geen bal uit dat Gods naam niet in de grondwet staat. Hij staat ook niet in de VTM lijst van ’Wie Is Het Allerbeste Idool Aller Tijden?’ terwijl uitgerekend Hij van alle tijden is en de allerbeste, bovendien wordt aanbeden als een idool. Hij staat evenmin in mijn tandenborstel, en die gebruik ik elke dag twee keer. Tot voor kort stond Hij zelfs niet in mijn mail-inbox, en die check ik meer dan de grondwet. Hij staat wel in negenennegentig varianten in de Koran, en je kunt met Artiest-Historie punten sparen voor de honderdste. Gods Naam staat bovendien al in het Oude Testament, maar weinigen weten hoe je hem moet uitspreken. Zij die het wel weten, weten te veel en zwijgen, of zeggen wat anders. Laten we een deal sluiten, ik teken die petitie, wat kan mij het schelen, maar haal alsjeblieft mijn naam uit je lijst wanneer je nog eens een wereldschokkende mail doorstuurt naar al je gelovigen. Zij hebben namelijk dezelfde lijst.
Ich will kein Fishstick sein!
Christelijk Vlaanderen en de sardientjes in een blikje, nee… het neusje van de zalm. Postmodernisme, de dobber van onzekerheid? Modernisme, het aas van extremen? Christenen, de prooi van kapitein Iglo? Onder het gezag van deze lachende vriend worden tonnen vis volwassen. Drijvend op zoutloze golven van kunstmatige kweekvijvers vragen ze zich af: Wie is zout? Wat drijft op golven? Waar zijn vissers? Ze spartelen met hun staart alsof ze zeggen willen: “Wanneer word ik een visstick?”
Overtuigd Sanguinisch
Het is lente. Drie maanden geleden heb ik mijn koptelefoon uitgeleend aan een theologiestudent. Hij gebruikte hem in een rampzalige imitatie van een André van Duin show uit de jaren tachtig. Ik heb hem nog steeds niet terug. Nu zit ik, zonder muziek, op de achterste rij in de bus naast een melancholische viezerik uit de jaren vijftig. Een geel gerookt, groen gezopen, zon gebruind bouwvakkertype met gore grijze haren uit zijn neus. Maar dat geeft niet. Ik kan naar buiten kijken. Stilletjes bidden om te tijd te verdrijven. Nog negentig minuten.
Maar wat is dat? Opeens begint het vieze mannetje geluid te maken. Geluid alsof hij zeggen wil: ‘weet jij al hoe men een halve liter gal tussen het strottenhoofd en de tanden kan houden?’. Zijn gerochel gaat over in een hard gehoest. Maar dat geeft niet. Hij kan alles mooi binnen houden. Ik blijf naar buiten kijken. Stilletjes bidden om de ergernis te verdrijven. Nog tachtig minuten.
Maar wat nu? De ergernis gaat niet weg. Gevoed door het flegmakabaal blijft de afschuw zelfs groeien. Het groeit ergens naartoe. Ik vraag me af waarheen. Plots weet ik het. Ik draai me om naar het rochelende mannetje. De gedachten die nu door mijn hoofd spelen staan in groot contrast met de praisemuziek die ik normaal gezien, als André van Duin nooit had geleefd, zou geluisterd hebben. Ik bedenk hoe ik het gele, groene, bruine, grijze mannetje keihard met een tafelpoot mep. Op zijn gezicht. In mijn gedachte wordt hij langzaam een geel, groen, bruin, grijs en rood mannetje. Steeds roder. Daar! Pak aan! Hij mag proesten en rochelen. Zijn bloed mag stromen. Zolang het maar bloed is. Vanbinnen barst ik uit in grote kolere. Maar dat geeft niet. Ik kan me inhouden. Ik zal weer naar buiten kijken. Stilletjes bidden om de verzoeking te verdrijven. Nog zeventig minuten.
Heeft het bidden geholpen? Heeft het kwaad me in zijn greep gehad? Ben ik gegrepen door het vuur? Ik weet het niet. Ik sta op het perron en hap naar lucht. Ik spuug op alles wat met gal en slijm te maken heeft. Ik word overtuigd, bloedbelijdend sanguinisch, in onherstelbaar verband. Nog de rest van mijn leven.

