Het is lente. Drie maanden geleden heb ik mijn koptelefoon uitgeleend aan een theologiestudent. Hij gebruikte hem in een rampzalige imitatie van een André van Duin show uit de jaren tachtig. Ik heb hem nog steeds niet terug. Nu zit ik, zonder muziek, op de achterste rij in de bus naast een melancholische viezerik uit de jaren vijftig. Een geel gerookt, groen gezopen, zon gebruind bouwvakkertype met gore grijze haren uit zijn neus. Maar dat geeft niet. Ik kan naar buiten kijken. Stilletjes bidden om te tijd te verdrijven. Nog negentig minuten.
Maar wat is dat? Opeens begint het vieze mannetje geluid te maken. Geluid alsof hij zeggen wil: ‘weet jij al hoe men een halve liter gal tussen het strottenhoofd en de tanden kan houden?’. Zijn gerochel gaat over in een hard gehoest. Maar dat geeft niet. Hij kan alles mooi binnen houden. Ik blijf naar buiten kijken. Stilletjes bidden om de ergernis te verdrijven. Nog tachtig minuten.
Maar wat nu? De ergernis gaat niet weg. Gevoed door het flegmakabaal blijft de afschuw zelfs groeien. Het groeit ergens naartoe. Ik vraag me af waarheen. Plots weet ik het. Ik draai me om naar het rochelende mannetje. De gedachten die nu door mijn hoofd spelen staan in groot contrast met de praisemuziek die ik normaal gezien, als André van Duin nooit had geleefd, zou geluisterd hebben. Ik bedenk hoe ik het gele, groene, bruine, grijze mannetje keihard met een tafelpoot mep. Op zijn gezicht. In mijn gedachte wordt hij langzaam een geel, groen, bruin, grijs en rood mannetje. Steeds roder. Daar! Pak aan! Hij mag proesten en rochelen. Zijn bloed mag stromen. Zolang het maar bloed is. Vanbinnen barst ik uit in grote kolere. Maar dat geeft niet. Ik kan me inhouden. Ik zal weer naar buiten kijken. Stilletjes bidden om de verzoeking te verdrijven. Nog zeventig minuten.
Heeft het bidden geholpen? Heeft het kwaad me in zijn greep gehad? Ben ik gegrepen door het vuur? Ik weet het niet. Ik sta op het perron en hap naar lucht. Ik spuug op alles wat met gal en slijm te maken heeft. Ik word overtuigd, bloedbelijdend sanguinisch, in onherstelbaar verband. Nog de rest van mijn leven.
Hippocrates’ vier temperamenten zijn nog nooit zo duidelijk geïllustreerd vermoed ik.